|
STILTE
A.U.B.
Het
snerpen van de fiets op de kiezeltjes.
De
matinale begroeting onder kameraden.
Het
kloppen van zware hamers.
Het
zingen van de zaag.
Een
symfonie van hijskranen.
Het
machteloze vloeken en tieren,
zo nu en dan.
Gejuich
alom: triomf in elke vezel – weer eentje klaar.
Het
klotsen van de Schelde.
Het
tikken van de regen.
En
dan niks meer.
Alleen
een stilte vol verdriet.
Ouagadougou,
Les Liseuses Fabuleuses,
najaar 2002
|
 |
De weg.
De weg zou
mooi kunnen zijn.
Of zacht.
Hij was lang, hard
en vol gebreken.
De weg er naartoe
gaf hoop en hij ging
over mensen.
Mensen.
Die schepen bouwen.
Over mensen.
Die schepen bouwen.
Die alleen goede schepen
konden bouwen als ze goed
konden samenwerken.
Over scheepsbouwers.
Vroeg op.Schoofzak.
De werf was niet mooi.
De werf was dat nooit geweest.
Ze was somber, struis en vol gevaren.
De werf, die was van
ons.
Wij waren maten, kameraden.
De loods gaf de schaduw, de schutting en het brood.
De werf was onze moederschoot.
Wij hebben dat niet
gewild, haar dood. Wij, wij zagen het
groot.
Erika
Claessens, Villautou, Frankrijk, 14 augustus 2002 |